mxing

Het mengpaneel

Het mengpaneel

 

Mix je podiumsound tot in perfectie

Vrijwel iedere muzikant wordt wel eens met een mengpaneel geconfronteerd. Logisch, want in de muziek is het een bijzonder handig apparaat. Mengpanelen, van heel groot tot heel klein, zijn allemaal gebaseerd op dezelfde principes. Die worden in dit artikel uitgelegd.

Het mengpaneel (ook mixer genoemd) is een apparaat dat meerdere geluidssignalen samenvoegt tot één (mono of stereo) geluidssignaal. Dit signaal gaat dan via de main out naar bijvoorbeeld een versterker of de PA. Met de knoppen en schuiven op een mengpaneel kun je de verschillende signalen mixen in de gewenste onderlinge verhouding. Vroeger hadden mengpanelen alleen volumeregelaars om de juiste volumebalans tussen de verschillende instrumenten te maken. In de jaren zestig en zeventig kwamen daar onder meer equalizers, effect sends en subgroepen bij. Mengpanelen worden zowel live als in studio’s gebruikt. Van oorsprong zijn mengpanelen gebaseerd op analoge techniek. Uiteraard is digitaal in opmars, maar analoge mengpanelen zouden toch wat warmer klinken en het aanbod in analoge mengpanelen is nog steeds groot.si-performer-3In de naam van een mengpaneel zit vaak een reeks cijfers. Een combinatie als 4-2 betekent vier ingangen en twee uitgangen (= één stereo-uitgang). Bestaat de combinatie uit drie getallen, dan geeft het middelste getal het aantal subgroepen aan. De toevoeging FX duidt aan dat het mengpaneel beschikt over ingebouwde effecten (meestal galm).

De kanalen
De kanalen zitten doorgaans aan de linkerkant van het mengpaneel. Ieder kanaal bestaat uit een input (mono of stereo) en een aantal regelaars voor dat kanaal. Je hebt hele kleine mengpanelen met bijvoorbeeld slechts twee kanalen. Daarboven loopt het meestal op in veelvouden van vier kanalen, dus 4, 8, 12, 16 enzovoorts. De kanalen op een bepaald mengpaneel zijn wat betreft bedieningselementen in principe allemaal hetzelfde, met hier en daar een verschil. Zo zijn kanalen voor microfoonsignalen vaak anders opgebouwd dan kanalen voor lijnsignalen. De input van een kanaal tezamen met de bijbehorende regelaars van dat kanaal wordt een channel strip genoemd. Channel strips zijn ook los te koop, meestal van hoge kwaliteit met dito prijs.

DF7A36843DD744DBA38D45DC05080BCD_12001

Regelaars op kanaal
Ieder kanaal heeft een knop of schuif waarmee je het volume van dat kanaal kunt regelen. De meest gebruikte term voor een schuif is fader. Gemakshalve noemen we in dit artikel de volumeregelaars steeds faders; dit kunnen dus zowel knoppen zijn als schuiven. Door het instellen van de faders kun je de volumes van de verschillende kanalen in de gewenste mix naar de uitgang sturen. Vaak zijn de channel strips ook voorzien van twee, drie of meer knoppen voor equalizing. Daarmee kun je naar wens hoog, mid en laag toevoegen of weghalen bij het signaal op dat kanaal.
Op de channel strip zit ook nog een draaiknop waar PAN of BAL(ance) bij staat. Een monosignaal kun je hiermee naar behoeven naar links of naar rechts pannen in het stereobeeld. Bij een stereosignaal regel je hiermee de balans tussen het linker en rechter signaal. Met de mute-knop leg je het kanaal het zwijgen op. Bij sommige merken wordt het signaal dan automatisch naar een andere uitgang gestuurd, die je dan als subgroep zou kunnen gebruiken.

De inputs
De meeste mengpanelen hebben verschillende soorten ingangen (inputs). De monokanalen hebben vaak twee ingangen: een microfooningang en een lijningang, waarvan je één tegelijk kunt gebruiken. Er kunnen ook monokanalen zijn met alleen een lijningang of alleen een microfooningang. Vaak heeft een mengpaneel ook één of meerdere kanalen met lijningangen die in stereo zijn uitgevoerd, met ieder twee jack-ingangen voor links en rechts. In de microfooningangen gaat doorgaans een XLR-plug, in de lijningangen een jack (zie vorige aflevering van deze rubriek).
Andere mogelijke inputs zijn onder meer aux return en 2-track in. 2-track in (en 2-track out) zijn bedoeld om een cd-speler of opname-apparaat aan te sluiten (voor opnemen of afspelen). Over aux return: zie elders in dit artikel.

Line en mic
Een microfoonsignaal is zwakker dan een lijnsignaal (van bijvoorbeeld een keyboard). Daarom gaat een microfoonsignaal eerst door een voorversterker om te worden opgekrikt naar het niveau van een lijnsignaal. Het mengpaneel is namelijk ontworpen om met signalen op lijnniveau te werken.
Ieder microfoonkanaal heeft zijn eigen voorversterker. De mate van voorversterking wordt geregeld met de gain- of trimknop, meestal bovenaan op de channel strip. Op stand 0 of U (unity) wordt het signaal niet versterkt en ook niet verzwakt. Doorgaans zijn kanalen voorzien van een lampje dat oplicht als het signaal te sterk is. Dit moet je vermijden, want het levert vervorming op. Komt er een lijnsignaal binnen, dan draai je de gain niet of nauwelijks op.
Het goed instellen van de gain, met name voor microfoonsignalen, is erg belangrijk en komt heel precies. Doe je het niet goed, dan krijg je problemen met het inregelen van het geluid. Je hebt dan te weinig ‘speelruimte’. In de handleiding van je mengpaneel staat meestal beschreven hoe je de gain goed instelt.

Fantoomvoeding
In tegenstelling tot dynamische microfoons hebben condensatormicrofoons een 48V spanning nodig om te kunnen werken. Deze zogeheten fantoomvoeding (phantom power) kan vanuit het mengpaneel via de XLR-plug worden geleverd. Die fantoomvoeding kun je in- en uitschakelen met een knop: soms voor het mengpaneel in zijn geheel, soms per microfoonkanaal.
In principe is fantoomvoeding onschadelijk voor dynamische microfoons, maar schakel de fantoomvoeding voor de zekerheid uit als je geen condensatormicrofoons hebt aangesloten. Bij een ingeschakelde fantoomvoeding kan het in- en uitpluggen van kabels flinke knallen geven.

-10 dBv en +4 dBu
Voor het niveau van een lijnsignaal zijn er twee standaards: -10 dBv en +4 dBu. Professionele studioapparatuur werkt vrijwel altijd met het hogere spanningsniveau van + 4 dBu. Hifi-apparatuur en instrumenten als keyboards werken met het lagere spanningsniveau van –10 dBv. Op veel mengpanelen zitten schakelaars waarmee je kunt kiezen tussen –10 dBv en +4 dBu. Zowel de inputs als de outputs kunnen van zo’n schakelaar voorzien zijn. Stel je sluit een minirecorder (-10 dBv) aan op een output waar +4 dBu op staat, dan kan al snel vervorming optreden doordat het signaal te hard is. Het is dan een kwestie van de output omschakelen naar –10 dBv om het probleem op te lossen.

MDR10_angle

Gebalanceerd en ongebalanceerd
De input voor een microfoon (XLR) is normaal gesproken gebalanceerd, om storingen op microfoonsignaal te voorkomen. In de vorige aflevering van deze rubriek is het verschil tussen een gebalanceerd en ongebalanceerd signaal uitgelegd. Van de betere mengpanelen zijn alle in- en uitgangen gebalanceerd, ook die voor de lijnsignalen. Daar moet dan een stereo jackplug in. Een mono jackplug kan ook, maar dan mis je het voordeel van een gebalanceerd signaal. Vaak zie je BAL OR UNBAL bij de in- of uitgang staan, wat betekent dat deze zowel gebalanceerd als ongebalanceerd te gebruiken is.

Low cut
Bij de microfoon-ingang kan een lowcut-knop (laag-af, high-pass of rumble) zitten. Daarmee schakel je een filter in dat lage geluiden tegenhoudt. De filterfrequentie ligt meestal tussen 60 en 80 Hz. Je haalt er bijvoorbeeld het lage geluid van voetstappen, verkeer en dergelijke mee weg voordat het bij de voorversterker is. Gebruik het lowcut-filter niet als je bijvoorbeeld bassdrum of basgitaar wilt versterken via dat kanaal.

Insert

Kanalen kunnen voorzien zijn van een insertiepunt (insert). Hiermee kun je het signaal van dat kanaal omleiden naar een effectapparaat, om het daarna weer het kanaal in te sturen. Hiervoor wordt doorgaans een kabel gebruikt met aan één kant een stereojack en aan de andere kant twee monojacks. De stereojack gaat in de insert, de twee monojacks gaan naar de in- en uitgang van het effectapparaat, waarmee je een omleiding creërt die door het effectapparaat gaat. Dit doe je alleen bij effecten die zich lenen voor een insert-effect (serieel effect). Want bij insert gaat het signaal in zijn geheel door het effectapparaat, bijvoorbeeld een compressor. Het bewerkte signaal vervangt dan het oorspronkelijke signaal. Een effect als galm is geen serieel effect maar een parallel effect, want het bewerkte geluid wordt bij het oorspronkelijke geluid gevoegd. Voor parallelle effecten gebruik je de aux send en aux return (zie hierna).

cms1000_picture1

Aux send en return
De aux send en aux return worden doorgaans gebruikt om een parallel effect aan het geluid te voegen. Via de aux send tap je het signaal af, je haalt het vervolgens door een effectapparaat heen en voegt het daarna via de aux return (mono of stereo) weer toe aan het oorspronkelijke signaal. Galm (reverb) is een typisch parallel effect en loopt dus via de aux send en return.
Ieder kanaal heeft een draaiknop waarmee je kunt regelen hoeveel van het signaal via de aux send wordt uitgestuurd. Dat kan dus ook nul zijn als je het bewuste signaal niet van een parallel effect wilt voorzien. Het mengpaneel kan ook nog een draaiknop hebben waarmee je het totale volume van alle aux sends kunt regelen. Bij de aux return hoort een draaiknop waarmee je het volume van het terugkomend (bewerkt) signaal kunt regelen.
Je kunt de aux send ook gebruiken om een monitor aan te sluiten. De aux return kun je ook als extra (stereo) lijningang gebruiken. Daarvan kun je dan alleen het volume regelen, je kunt niet equalizen.

Pre en post
Een aux send kan worden afgetapt vóór of na de fader (volumeregelaar van het kanaal). Staat er ‘pre’ dan is het vóór de fader, staat er ‘post’ dan is het na de fader. Is het signaal post fader, dan blijft het bewerkte signaal (bijvoorbeeld galm) altijd in dezelfde verhouding met het oorspronkelijke signaal, ook al draai of schuif je aan de fader van dat kanaal. Vaak is dat wenselijk. Is de aux send ‘pre fader’ dan blijft het signaal op de aux send constant, ongeacht de stand van de fader. Dat zou je kunnen gebruiken als monitorsignaal voor bijvoorbeeld een zanger.
Soms kun je met een knopje instellen of een aux send in pre fader of post fader stand wordt gebruikt. Dat knopje zit dan bij de betreffende draaiknop van aux send. Ongeacht of je het aux-signaal pre of post fader aftapt, het is in principe altijd ná de lowcut en de equalizers van dat kanaal.

Subgroepen
Subgroepen (ook groups of busses genoemd) vind je doorgaans alleen op de (iets) grotere mengpanelen. Het zijn extra uitgangen, waarmee je een selectie van één of meerdere kanalen kunt uitsturen. Handig om bijvoorbeeld een monitormix op maat aan te kunnen bieden aan één of meerdere muzikanten. Met behulp van knoppen op de channel strip kun je per kanaal regelen naar welke subgroep(en) een signaal gaat. Het signaal blijft dan ook gewoon naar de main out gaan.

Monitor, control room en solo
Naast de (stereo) main out hebben mengpanelen doorgaans ook een (stereo) monitor of control room (c/r) output. Deze output kun je op een versterker of actieve monitoren aansluiten, waarmee je het geluid kunt afluisteren. De c/r output is voorzien van een eigen volumeregelaar, die overigens wel ‘meeloopt’ met het volume van main out (maar andersom niet: de main out loopt niet mee met het c/r volume).
Een toetsenist bijvoorbeeld kan zijn apparatuur aansluiten op een mengpaneel, via de main out naar de PA gaan en via de c/r output naar een eigen monitor. Met behulp van de c/r volumeknop kan hij dan zijn monitorvolume regelen, zonder dat dit het volume richting PA verandert.
Op kleine mengpanelen is de mix die naar de main out exact gelijk als de mix die naar de c/r gaat. Op grotere mengpanelen zit er op ieder kanaal een solo-knop. Door deze in te drukken gaat het signaal van dat kanaal naar de c/r output. Zo kun je via de c/r output één of meerdere kanalen naar keuze beluisteren, zonder dat dit invloed heeft op de mix van de main out.
Ieder mengpaneel heeft een aansluiting voor een hoofdtelefoon. Deze is gekoppeld aan de c/r. De mix op je hoofdtelefoon is dus dezelfde als die van de c/r output. Ook regel je met de volumeregelaar van de c/r het volume op je hoofdtelefoon.

AFL en PFL (solo)
Is een mengpaneel voorzien van solo-knoppen op de kanalen? Dan is het mengpaneel vaak voorzien van een schakelaar waar AFL/PFL bij staat. Zet je deze op AFL (after fader listen), dan beluister je het c/r-signaal ná de gain, equalizer, fader en pan instellingen. Zo hoor je de solo-kanalen in de dezelfde mix als die van de main out. AFL is dus de aangewezen modus om via de c/r of hoofdtelefoon de mix in te stellen.
PFL staat voor pre fader listen. In de PFL-stand hoor je het solo-kanaal vóór de fader (en na de equalizer). In de PFL-stand kun je een kanaal dus ook beluisteren als de fader op nul staat. PFL is bedoeld om het geluid van één kanaal te controleren, zonder de mix te beïnvloeden.

Main out
De main out op het mengpaneel is de ‘hoofduitgang’. Dat is het (stereo) signaal dat richting publiek gaat. Op kleine mengpanelen wordt het volume van de main mix geregeld met een draaiknop. Grotere mengpanelen hebben doorgaans twee faders: één voor het linkerkanaal en één voor het rechterkanaal. Uiteraard voorzien van een level-meter (meestal een rij gekleurde ledjes), die aangeeft hoe hard het signaal naar buiten gaat. De bovenste ledjes zijn rood. Deze lichten op als het signaal te hard is, waardoor vervorming optreedt. Sommige grotere mengpanelen zijn voorzien van een equalizer, waarmee je het signaal van de main out kunt equalizen.

vi7000

Routing-mogelijkheden
Op grotere mengpanelen kun je kiezen tussen verschillende routings, de ‘paden’ waarlangs de verschillende signalen lopen. Dit doe je door speciaal hiervoor bedoelde knoppen in te drukken. Zo kun je door een combinatie van knoppen kiezen wat je allemaal via de c/r of hoofdtelefoon wilt beluisteren. Of je kunt met één druk op de knop het signaal van een cd-speler naar de main out sturen, bijvoorbeeld in de pauzes van een optreden. Voor de diverse mogelijkheden en hoe je dit moet doen: raadpleeg de handleiding van je mengpaneel.

Onderhoud
De draaiknoppen en faders op een mengpaneel zijn gevoelig voor stof, vocht en rook. Dit slaat neer op de koolstofbanen, met gekraak en volumesprongen tot gevolg. Dit probleem is vaak op te lossen door de krakende knoppen en faders een aantal keren snel heen en terug te draaien respectievelijk heen en weer te schuiven, over de volle lengte. Bij faders kun je van tevoren een heel klein beetje reinigingsspray inspuiten. Het beste is om je mengpaneel stofvrij te bewaren in een ruimte met een normale luchtvochtigheid. Een stofvrije doek over het mengpaneel kan veel problemen voorkomen.

Share on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn0Email to someone
Fred Meijer

Geschreven door

Fred Meijer, redacteur Bandcoach Magazine

Reacties (0)

Gerelateerde artikelen

Kennispartners

knowledge partners