pri181148395

Het Hammondorgel

Het Hammondorgel

Terug van weggeweest: het Hammondorgel

 

In de pop en rock is het Hammondorgel weer helemaal terug van weggeweest. In de blues en jazz heeft het al decennia lang zijn vaste plek. Wat maakt dit instrument nu zo bijzonder? Waarom sjouwen we anno 2009 nog steeds een instrument van meer dan 100 kilo het podium op? Een muzikale ontmoeting met het Hammondorgel, dat dit jaar zijn 75-jarig jubileum viert.

 

Het Hammondorgel voelt zich thuis in alle muziekstijlen. Je kunt er hele brave en gezellige liedjes op spelen. Je kunt er ongelooflijk mee scheuren in een ruig blues- of rocknummer. Je kunt er een fantastisch tapijtje mee leggen onder vrijwel iedere popsong. Je kunt er spetterende jazz op spelen en ga zo maar door. Die veelzijdigheid van het Hammondorgel is tegelijk ook een beetje een manco voor het imago van dit instrument. Nog steeds associëren veel mensen het Hammondorgel met de ‘kitscherige’ elektronische orgelmuziek waarmee in de jaren zeventig talrijke elpees werden volgespeeld. Dat heeft het imago van het Hammondorgel geen goed gedaan en op de een of andere manier ijlt dit nog steeds een beetje na. Gelukkig gaat dit weer de goede kant op. In de jazzmuziek is het Hammondorgel al vele jaren een begrip. Dat geldt eigenlijk ook voor de blues. In de pop en rock is het Hammondorgel een tijdlang verdrongen geweest door synthesizers, met name in jaren tachtig en negentig. Sinds ongeveer begin deze eeuw maakt het Hammondgeluid een overduidelijke come-back in de pop en rock. Dat kan een authentiek Hammondgeluid zijn of digitaal nagebootst. Maar opvallend vaak zie je dat artiesten er bewust voor kiezen om zich te laten ondersteunen door een authentiek Hammond toonwielorgel, zoals dat heet. Dat is dan meestal de Hammond B3. Met daaraan gekoppeld een Lesliebox, vaak een Leslie 122 of 147. Ken je het typische Hammondgeluid eenmaal, dan haal je het overal uit. Maar wat maakt een Hammond toonwielorgel, in technisch en muzikaal opzicht, nu zo bijzonder?

Toonwielgenerator
Het bijzondere van een Hammond toonwielorgel zit voor een belangrijk deel in de klankopwekking. Uitvinder van het Hammondorgel is Laurens Hammond (1895-1973). Deze Amerikaan heeft een groot aantal uitvindingen op zijn naam staan (110 patenten!), waaronder de bekende kartonnen brilletjes met een groen en rood glas om 3D-films te bekijken.

Laurens Hammond 01

Laurens Hammond is ook de uitvinder van de synchroonmotor. Dit is een elektromotor die draait met een snelheid die afhankelijk is van de netfrequentie (in Nederland 50 Hz, in de VS 60Hz). Aangezien de netfrequentie heel constant wordt gehouden, draait de motor dus ook heel constant. Daarom werd deze motor door Laurens Hammond gebruikt om elektrische klokken aan te drijven.
De synchroonmotor inspireerde Laurens Hammond tot het ontwikkelen van een elektrisch orgel, dat de dure en onderhoudsintensieve pijporgels in kerken kon vervangen. Hij bedacht een orgel waarin het geluid wordt opgewekt door een zogeheten toonwielgenerator, die wordt aangedreven door een synchroonmotor. In 1934 werd het eerste patent aangevraagd.

_K8X0135
Het geluid in een Hammond wordt opgewekt door een toonwielgenerator. Op de detailfoto zijn enkele toonwielen te zien.

De toonwielgenerator (zie foto) is het ‘kloppend hart’ van het Hammond toonwielorgel. Een Hammond toonwielorgel heeft (afhankelijk van het model) 12 tot 96 toonwielen. Deze toonwielen hebben een golfvormige rand, gebaseerd op de sinusgolf. Hoe hoger de op te wekken toon, hoe meer golven op het toonwieltje. Alle toonwielen zitten op een ronddraaiende as. Ieder toonwiel draait langs een pickup-element met een magnetische kern met een spoel er omheen. Als het toonwiel draait, wordt er in de kern van het pickup-element een wisselend magnetisch veld opgewekt, dat in de spoel resulteert in een elektrische wisselspanning.

Levendig en muzikaal
Deze wisselspanning is sinusvormig, net als de sinusvormige rand van het toonwiel. De wisselspanning wordt vervolgens (elektronisch) gefilterd en versterkt, om vervolgens via een luidspreker te worden weergegeven. Dit geeft een sinusvormige toon, een soort fluittoon. Deze toon klinkt van zichzelf dof, maar krijgt klankkleur door er boventonen aan toe te voegen. Die krijg je door het geluid van verschillende toonwielen samen te voegen tot één geluid. De organist kan die klankkleur regelen met behulp van zogeheten drawbars (zie kader over drawbars).
Vanaf de toonwielgenerator gaat het geluid nog door een enorm circuit van allerlei elektronica (met name buizen), die allemaal medebepalend zijn voor het karakter van het Hammondgeluid. Bovendien moest Laurens Hammond meerdere technische compromissen sluiten, met als gevolg dat het Hammondgeluid allerlei onvolkomenheden heeft. Maar juist die maken dit instrument zo interessant, levendig en vooral ook muzikaal. Voor de liefhebbers die daar meer van willen weten: zie het kader ‘Keyclick, leakage en meer onbedoelde zaken’.

_K8X0123

De Lesliebox
Laurens Hammond had zijn orgel bedoeld als kerkorgel en huiskamerorgel. Maar het vond ook een heel andere weg, zoals we inmiddels weten. Dat is mede de ‘schuld’ van ene Don Leslie, de uitvinder van de Lesliebox. Voor veel Hammondliefhebbers is een Hammondorgel zonder Lesliebox incompleet. In een Lesliebox wordt het geluid roterend gemaakt. Bij veel modellen, zoals de bekende Leslie 122 en 147, gebeurt dat met een roterende hoorn voor het hoog en een roterende trommel voor het laag (die tegengesteld draaien).
Door het ‘ronddraaien’ krijgt het Hammondgeluid een natuurlijk vibrato. Dit komt door het zogeheten Doppler-effect. De wetenschapper Doppler heeft ontdekt dat geluid dat naar je toe komt, hoger wordt. Geluid dat van je afgaat, wordt lager. Dat effect hoor je bijvoorbeeld als een ambulance met loeiende sirene voorbijkomt.
Daarnaast maakt een Lesliebox het Hammondgeluid heel ruimtelijk: het zit overal om je heen en het is alsof het ‘los van de grond’ komt. Mede door de Lesliebox kun je met een Hammondorgel een heerlijk tapijt leggen in heel veel soorten muziek. Het is alsof het Hammondgeluid de andere instrumenten ‘omarmt’.

_K8X9867

De zogeheten halve maan schakelaar voor het schakelen van de Lesliebox. Hier op een Hammond M3.

Bovendien kun je een Lesliebox zo instellen dat hij bij bepaalde volumes overstuurt. Je krijgt dan buizenvervorming en dat kan een perfect ruig randje geven aan je spel.
De Lesliebox kent twee snelheden: chorale (langzaam) en tremolo (snel). Beide snelheden geven hun eigen karakter aan het geluid. Van langzaam naar snel schakelen (en weer terug) duurt enkele seconden. Als je zo’n omschakeling op het juiste moment legt, kun je ‘drama’ toevoegen aan de muziek. Op de dvd wordt het effect van de Lesliebox gedemonstreerd.
Mede door de Lesliebox leent het Hammondorgel zich heel goed voor pop, rock, jazz en blues. Hoewel in jazz ook wel eens met stilstaande Lesliebox wordt gespeeld. Overigens vond Laurens Hammond de Lesliebox aanvankelijk helemaal niks. Maar uiteindelijk is het een huwelijk gebleken dat niet te stuiten was.

hammond74

De bekende Leslie 122. In de opengemaakte box zijn aan de binnenzijde de roterende hoorn voor het hoog en de roterende trommel voor het laag te zien.

Een écht instrument
Genoeg over techniek. Nu naar de muzikale kant van het Hammondorgel, door muzikanten doorgaans Hammond genoemd (dus zonder de toevoeging ‘orgel’). Hoewel het geluid in een Hammond elektrisch wordt opgewekt, is het qua muzikale beleving eigenlijk een akoestisch instrument. “Het is een écht instrument. Net als de elektrische gitaar”, zegt Leon Kuijpers, professioneel allround-toetsenist en specialist op de Hammond.

Leon Kuijpers vrijstaand

Leon Kuijpers

“Het is geen imitatie-instrument, zoals elektronische orgels en keyboards dat wel zijn. Dat zijn instrumenten die het geluid van andere instrumenten proberen na te bootsen. Een Hammond daarentegen is een instrument op zich. Met een authentiek geluid, zoals we dat ook kennen van de akoestische piano, de Fender piano en de Wurlitzer piano. Dat komt doordat bij deze instrumenten het geluid op een natuurlijke manier wordt opgewekt, ook al komt er bij Hammond, Fender en Wurlitzer elektriciteit aan te pas.
“Een goede Hammondorganist kan veel gevoel leggen in zijn spel, ondanks het feit dat een Hammond niet aanslaggevoelig is zoals we dat kennen van de piano. Je kunt van een Hammond een ongelooflijk expressief instrument maken door je manier van spelen, het gebruik van het volumepedaal, spelen met de klankkleur met behulp van de drawbars en schakelen met de Lesliebox. “Een Hammond, daar zit je niet achter. Daar zit je in”, aldus Leon. “Spelen op een Hammond kan een enorme kick geven.”

Verschil met piano
‘Als je piano kunt spelen, kun je ook Hammond spelen’, wordt nogal eens beweerd. Het zijn immers dezelfde witte en zwarte toetsen. Deze bewering klopt niet, vindt Leon. “Het gevoel is anders, de techniek is anders. Tussen spelen op piano en spelen op Hammond zitten grote verschillen. Het gevoel dat je in pianospel legt, doe je grotendeels met je aanslag. Nadat je een toon of meerdere tonen op de piano hebt aangeslagen, kun je die toon niet of nauwelijks meer beïnvloeden. Hoogstens met je sustainpedaal.”
Kortom, bij pianospelen heb je geen ‘nabewerking’ van je tonen. “En die heb je bij een Hammond juist wel”, aldus Leon. “Je muzikale inkleuring begint pas nadat je de toetsen hebt ingedrukt. Dan ga je spelen met je volumepedaal, kleuren met de drawbars, schakelen met de leslie enzovoorts. Dat is een wezenlijk verschil met de piano. En dat vraagt een compleet andere manier van spelen.”
Een ander groot verschil is dat pianotonen langzaam uitdoven. Een toon op een Hammond kun je oneindig lang aanhouden. Zo kan het mooi zijn om één hoge toon heel lang aan te houden en er intussen andere noten tegenaan te spelen (dit heet orgelpunt). Met een piano kan dat niet.
“Op een piano moet je voor iedere toon ‘werken’. Op een Hammond is dat veel minder het geval”, zegt Leon. “Ook is een Hammond qua klank veel dragender dan een piano. Je hoeft op een Hammond minder te doen dan op een piano om je spel ‘body’ te geven. Dat moet trouwens ook, anders speel je het te vol. Je hoort het ook meteen als een pure pianist Hammond speelt. Die speelt het dan al gauw veel te vol. Zo heb ik een opname van Ray Charles, toch niet de minste muzikant, die Hammond speelt. Dat klinkt nergens naar, omdat hij piano speelt op een Hammond.”

_K8X9746

Het starten van een Hammond kent een speciale procedure.

Laten gillen
Is piano moeilijker dan Hammond? Of andersom? “Je kunt niet spreken van moeilijker of makkelijker”, vindt Leon. “Op een piano is het harder werken dan op een Hammond. Maar een Hammond stelt weer hogere eisen aan je muzikale voorstellingsvermogen. Met een Hammond ben je veel meer aan het kleuren met je klank. En je moet veel meer dan bij piano oppassen dat je het niet ‘dicht speelt’. In muzikaal opzicht zijn Hammond en piano compleet verschillende instrumenten. Hammond zit eigenlijk dichter bij instrumenten waar je lange tonen mee kunt maken. Ook kun je met Hammond een klanktapijtje leggen. En je kunt op een Hammond expressief van grote diepte naar enorme hoogte gaan: een Hammond kun je laten ‘gillen’. Met een piano kan dat allemaal niet.”
Overigens laten piano en Hammond zich prima combineren in live muziek en opnames. Eigenlijk combineert Hammond goed met ieder instrument.

Kerkorgel en podiumbeest
Hammond toonwielorgels worden niet meer gemaakt. In december 1974 verliet de laatste Hammond B3 de fabriek. Hammond maakte toen ook al ‘elektronische orgels’ om de concurrentie aan te gaan met andere orgelmerken, maar dat heeft niet lang geduurd. In 1986 ging Hammond failliet (Laurens Hammond was inmiddels overleden). In 1987 werd de merknaam gekocht door het Japanse handelshuis Suzuki. Sindsdien bestaat het merk onder de naam Hammond-Suzuki. Dit merk maakt orgels gebaseerd op digitale technieken.
In de huidige tijd is het te kostbaar om een toonwielorgel te fabriceren à la Hammond. Maar gelukkig zijn de oude toonwielorgels bijna onverwoestbaar en ook altijd te repareren. Nadeel blijft het gesjouw, hoewel dat met spinetorgels nog wel te overzien is. De tilbare ‘klonen’ worden steeds beter, maar of ze ooit de kick zullen geven die je van echte toonwiel krijgt? Dat is ook een persoonlijke kwestie. Hoe dan ook, het is een bijzonder instrument. Een écht instrument. En Laurens Hammond heeft nooit kunnen bevroeden dat zijn elektrische kerkorgel uit 1934 een podiumbeest heeft opgeleverd dat 75 jaar later nog steeds een begrip is.
Bekijk vooral ook de dvd bij deze uitgave van Bandcoach. Organist Leon Kuijpers geeft daarop uitleg over het Hammondorgel en laat een aantal dingen zien en horen.

_K8X9754

De knoppen voor bediening van de percussion

Keyclick, leakage en meer onbedoelde zaken
Verschillende technische bijzonderheden en onvolkomenheden bepalen het typische geluid van het Hammondorgel. Daar zijn boeken over vol geschreven. We noemen hier de belangrijkste:
* Het geluid in een Hammond wordt elektromechanisch opgewekt door een toonwielgenerator (zie artikel). Dat is al heel bepalend voor het geluid. De opgewekte sinustoon is aan het eind van het elektronisch circuit niet meer precies een sinus, maar dat maakt de toon juist interessanter.
* Ieder toonwiel (een Hammond B3 heeft er 91) zit in zijn eigen fase en loopt in fase niet synchroon met de andere toonwielen. Dat geeft een veel levendiger geluid dan van bijvoorbeeld een keyboard, waarvan de tonen allemaal in dezelfde fase zitten.
* Orgels als de Hammond B3 en veel modellen Leslieboxen zitten vol met buizen. Die zijn medebepalend voor het geluid. Zeker als de buizen in een Lesliebox overstuurd worden en het geluid een ruig randje krijgt.
* In de meeste Hammond toonwielorgels wordt het vibrato opgewekt door een elektromechanische vibratoscanner. Dat geeft een diep, natuurlijk vibrato. Het mooiste is om de vibratoknop in chorus-stand te zetten. Dan wordt de vibratotoon gemengd met de ‘rechte toon’ van het orgel. Zie ook dvd.

_K8X9742

De vibrato-chorus knop

* Op een toonwiel kunnen alleen hele golfjes. En op de tandwieltjes die de toonwielen aandrijven ook alleen maar hele tanden. Halve of nog kleinere golven en tanden kunnen natuurlijk niet. Door deze beperking lukte het Laurens Hammond niet om voor iedere toon precies de juiste toonhoogte op te wekken, zoals de toonhoogtes die we kennen van de gelijkzwevend gestemde piano. De A op een Hammondorgel klopt wel precies (440 Hz), maar de meeste andere tonen hebben een minuscule afwijking. Dat geeft een typische ‘pitch’ zoals dat heet en daardoor klinkt een Hammondorgel weer wat spannender.
* Typerend voor met name de Hammond B3 en aanverwante toonwielorgels is de zogeheten keyclick. Als een toets wordt ingedrukt, hoor je een korte ‘sputter’ voorafgaand aan de gespeelde toon. Dat komt door het maken van het elektrisch contact. Laurens Hammond baalde van deze technische tekortkoming, maar sommige jazzorganisten zijn er gek op. Op de dvd wordt de keyclick gedemonstreerd.
* Door slijtage binnen het elektronisch circuit van een Hammond kan geluid van niet-aangesproken toonwielen ‘meelekken’ met het geluid van de wel-aangesproken toonwielen. Dit wordt ‘leakage’ genoemd. In technisch opzicht ongewild, maar een Hammond kan er lekker smerig door gaan klinken. Onder meer door leakage klinkt ieder Hammondorgel weer een beetje anders. Zo kan de ene B3 heel anders klinken dan een andere B3.

 _K8X9732

Kleuren met de drawbars
Het geluid afkomstig van één toonwiel is een toon zonder boventonen. Je kunt die toon kleuren door er boventonen aan toe te voegen, de zogeheten harmonischen. Dat zijn natuurlijke boventonen, zoals je die ook op akoestische instrumenten hoort. Met behulp van zogeheten drawbars (‘trekstaven’) kan een organist het geluid kleuren. Dat heet registreren.
De meeste Hammondorgels hebben per klavier negen drawbars. De drawbar met het laagste geluid is de 16-voet (op de drawbar staat 16′). De eenheid ‘voet’ staat in verband met de lengte van de betreffende pijp van een pijporgel. Hoe langer de pijp, hoe lager het geluid.
Ieder van de negen drawbars correspondeert met een bepaalde pijplengte (voetmaat). De organist kan door het uittrekken van de drawbars aan de laagst gekozen voetmaat harmonischen toevoegen, die steeds een octaaf, een kwint of een terts hoger klinken. Hoe verder de drawbar wordt uitgetrokken, hoe sterker de klank van die voetmaat.
De grondtoon komt van 8′ drawbar. De 4′ klinkt een octaaf hoger, de 2′ twee octaven hoger en de 1′ drie octaven hoger dan de 8′. De 16′ klinkt een octaaf lager dan de 8′.
Daartussen zitten zogeheten gebroken harmonischen. De 51/3′ is een reine kwint hoger dan de 8′. De 22/3′ is een reine kwint hoger dan de 4′. En de 11/3′ een reine kwint hoger dan de 2′. Dan is er nog de 13/5′ drawbar. Die is een grote terts hoger dan de 2′. (Over toonafstanden, zie schema op pagina XX.) Een organist kan iedere drawbar traploos in- en uitschuiven, waardoor er miljoenen combinaties mogelijk zijn en dus dito klankmogelijkheden. Daar kun je nog al dan niet 2nd of 3d percussion aan toevoegen, vibrato of chorus toevoegen enzovoorts. Op de dvd wordt gedemonstreerd wat er allemaal kan en hoe dit klinkt.

Wel en geen foldback
In het kader over de verschillende modellen Hammondorgels lees je dat de console-orgels wel foldback hebben en de spinetorgels niet. Dit is in muzikaal opzicht een belangrijk verschil. Maar wat is foldback? Dat zit als volgt. Hoe hoger de toon, hoe fijner het sinusvormige kartelrandje van het toonwiel moet zijn. Daar zitten natuurlijk grenzen aan. De hoogst haalbare toon is de hoge fis met een 1-voet drawbar. Wat te doen met de toetsen die daarboven zitten? Hiervoor bedacht Laurens Hammond een oplossing: foldback (‘terugvouwen’). Vanaf g die na die hoge fis komt, pakt het orgel gewoon weer de 1-voet van een octaaf lager en zo weer verder. Zou houd je toch nog een hoge klank in de hoogste deel van je manuaal. Bij een console-orgel blijf je boven de hoge fis gewoon de 1-voet horen (maar dan ‘foldback’). Bij een spinetorgel houdt de 1-voet na die hoge fis gewoon op. Ook andere hoge voetmaten hebben ergens zo’n punt. Dit kun je als gemis ervaren op een spinetorgel, omdat je boven in het manuaal de echt hoge tonen mist. In ‘de diepte’ wordt overigens ook met foldback gewerkt, dus voor de lage tonen. Op de dvd wordt uitgelegd en gedemonstreerd hoe het nu precies zit met foldback.  

De bekendste modellen
Hammond heeft veel modellen op de markt gebracht. Niet alleen toonwielorgels, maar op een gegeven moment ook ‘gewone’ elektronische orgels. We bespreken hier kort de toonwielorgels die je met name in bands ziet en één elektronische Hammond.

pri181148395

Hammond B3

* De Hammond B3 is het meest legendarische toonwielorgel. Gebouwd van 1954 tot 1974. Als er op de grote podia een Hammond staat, is het vrijwel altijd een B3. Zeer herkenbaar aan de vier gedraaide pootjes. En loodzwaar.

_K8X9786

De ‘speeltafel’ (zoals dat heet) van een Hammond B3

* De A100 en de C3 zijn ‘van binnen’ nagenoeg hetzelfde als de B3. Daardoor zijn ze qua klankkarakter vergelijkbaar. Overigens klinken geen twee B3’s hetzelfde. Ieder exemplaar heeft zijn eigen karakter. De B3, C3 en A100 hebben dezelfde layout van klavieren en bedieningselementen. De A100 heeft een dichte kast met ingebouwde luidsprekers (maar wel een aansluiting voor een Lesliebox) en de C3 heeft het model van een kerkorgel (en is daar oorspronkelijk ook voor bedoeld).

_K8X0089

Hammond C3

De B3, C3 en A100 zijn zogeheten console-orgels. Dit zijn grote orgels, waarvan de beide manualen ieder vijf octaven bestrijken. Er zijn ook kleinere toonwielorgels, de zogeheten spinet-modellen. Vooral bedoeld voor de huiskamer. De beide manualen op deze orgels bestrijken ieder 31/2 octaaf, maar overspannen door de trapsgewijze plaatsing samen vijf octaven (zie foto’s). Verder hebben spinetorgels geen foldback (zie kader over foldback). Ook het klankkarakter is anders, maar ze hebben wel de levendigheid van een toonwielorgel. Onderstaande spinetmodellen zie je nog wel eens in bands:

_K8X9847

Hammond M3

* De M3 (gebouwd van 1955 tot 1964) wordt wel eens de mini-B3 genoemd. Dat komt door het klankkarakter, het model en doordat alles wat in een B3 zit zo ongeveer ook in een M3 zit. Zoals scannervibrato en percussion, maar geen foldback. Wel ietsje makkelijker te tillen dan een B3.
* De M100 (gebouwd tussen 1961 en 1968) hoor je in A Whiter Shade of Pale van Procol Harum. Ziet er heel anders uit dan een B3, maar heeft wel scannervibrato.

_K8X0091

De Hammond M100, die qua uiterlijk enigszins lijkt op de L100

* De L100 (gebouwd tussen 1961 en 1964) is een model dat in de popmuziek veel gebruikt is. Als je een Hammond hoort in een jaren zestig of zeventig nummer, is het bijna altijd een L100. De grootste hits van de Nederlandse formatie Focus (Hocus Pocus, Sylvia etc.) zijn allemaal gespeeld op een L100. Van de L100 is er een portable variant: de Porta-B. Tweedehands is de L100 genoeg te krijgen tegen een doorgaans zacht prijsje.
* De X5 is geen toonwielorgel, maar volgens sommigen toch ‘lekker’. Je ziet en hoort de X5 nogal eens in combinatie met een Leslie 760 (een transistor Lesliebox). Overigens heeft een X5 wel foldback. Toetsenist Nico Brandsen van Kane zweert bij de X5.

Reparatie van Hammonds
Hammond toonwielorgels zijn bijna niet stuk te krijgen. Of beter gezegd, ze zijn altijd wel te repareren. Het wemelt van de Hammondorgels die al meer dan vijftig jaar meegaan en iedere keer weer het podium op en af worden gesjouwd.
Een deel van het onderhoud kun je zelf doen, zoals de twee vingerhoedjes speciale Hammondolie (nog gewoon verkrijgbaar!) die eens per jaar in de toongenerator moeten.
Verder hebben de Nederlandse en Belgische bezitters van een Hammond toonwielorgel het geluk dat er in het Brabantse Eindhoven een bedrijf zit dat gespecialiseerd is in reparatie, onderhoud en restauratie van Hammondorgels en andere vintage toetsinstrumenten. Dat is MusiFix (www.musifix.nl). MusiFix is tevens dealer van verschillende merken die digitale ‘Hammond-klonen’ op de markt brengen. 

‘Kloonwielen’
Een Hammond toonwielorgel is groot en zwaar. En een B3 met Leslie 147 is ook nog eens een dure aanschaf. Geen wonder dat veel fabrikanten met lichtere en goedkopere oplossingen komen, waarin ze het geluid van een Hammond toonwielorgel gecombineerd met een Lesliebox zo goed mogelijk proberen na te bootsen. Er zijn ook software-matige varianten.
Deze ‘kloonwielen’ worden steeds beter en komen steeds dichter bij het origineel. Het is overigens heel persoonlijk welk aspect van het Hammondgeluid jou aanspreekt en in hoeverre je dat terugvindt in een digitale variant. Het effect van een Lesliebox lijkt nog moeilijker na te maken dan het Hammondgeluid zelf.
Bands waarin het Hammondgeluid een prominente rol speelt (zoals blues- en jazzbands) kiezen vaak voor een echte ‘toonwiel’ met Lesliebox. Dat lijkt ook mooi op het podium.
Zonder uitputtend te willen zijn, hierbij een overzichtje van de bekendste en meest recente digitale varianten. Toetsinstrumenten: Hammond-Suzuki New B3, Hammond-Suzuki XK-1, Hammond Suzuki XK-3c, Roland VK-8, Nord C2, KeyB organ. Modules: Hammond-Suzuki XM-2, Roland VK-8m. Software: Native Instruments B4 II, Linplug Organ 3, Genuine Soundware VB3. De Amerikaanse fabrikant Motion Sound bouwt boxen met mechanisch roterende speakers die een stuk draagbaarder zijn dan de grote, originele Leslieboxen. In datzelfde genre biedt Hammond-Suzuki de Leslie 3300.

Voor wie (nog) meer wil weten
Wil je meer weten over Hammondorgels? Je hoeft internet maar op te gaan en je kunt je hele leven vooruit met informatie over en opnames van Hammond. Verder heeft de Amerikaanse auteur Mark Vail een boek uitgebracht over dit fenomeen, getiteld ‘The Hammond Organ – Beauty in the B’. Wie zich wil verdiepen in het spelen op Hammond heeft veel aan het muziekboek (met cd) van Dave Limina, getiteld ‘Hammond Organ Complete’.
Op de meeste muziekscholen wordt (helaas) niet specifiek les gegeven op Hammondorgel. Wel zijn er particuliere muziekdocenten die gespecialiseerd zijn in Hammondorgel, waaronder Pascal Lanslots (in Brabant, www.plaintalk.nl). Op de website van MusiFix (www.musifix.nl) staan links naar andere docenten.
Veel kennis zit ook bij de Hammond Toonwielorgelvereniging Nederland (www.hammondclub.nl), die meer dan 300 leden telt, vier ledendagen per jaar organiseert en een informatief verenigingsblad heeft.

Met dank aan Leon Kuijpers (allround toetsenist en Hammondorganist, www.leonkuijpers.com), Rien Boendermaker (Hammond-kenner), en Frank Obertop voor het beschikbaar stellen van zijn Hammondorgels voor de foto’s bij dit artikel en de opnames voor de dvd. Deze Hammonds staan in een voormalig kaaspakhuis in Noord-Holland (zoek op YouTube maar eens op ‘cheese warehouse’).

Share on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn0Email to someone
Fred Meijer

Geschreven door

Fred Meijer, redacteur Bandcoach Magazine

Reacties (0)

Gerelateerde artikelen

Kennispartners

knowledge partners